23/09/1866 – Tinco Lycklama ontmoet Naser al-Din Shah Qajar

Tijdens een feest bij de Russische legatie te Zergendeh, wordt Tinco Lycklama door eerste secretaris Ivan Zinoviev voorgesteld aan Yaya Khan – de “aide de camp” van de shah van Perzië. Deze laatste bleek goed op de hoogte van het verblijf van onze jonge Friese avonturier te Teheran, maar vroeg zich af waarom Tinco nog niet om een audiëntie verzocht had. Ze spraken af dat Tinco enkele dagen later Ziovieviev zou vergezellen ter gelegenheid van een officieel bezoek aan de shah op 23 septembre 1866. Hieronder leveren we een vertaling van Tinco’s eigen schrijven over dit bezoek.

(Click here to see the English translation – Cliquez ici pour la version française)

darya-e-noor-brooch
De Darya-e Noor broche, gedragen door Naser al-Din Shah
Vertaald extract uit het boek van Tinco Lycklama à Nijeholt – “Voyage en Russie, au Caucase et en Perse, dans la Mésopotamie, le Kurdistan, la Syrie, la Palestine et la Turquie”, deel II – pagina’s 357-362. Klik hier om het Franse origineel te bekijken op Gallica/BnF. De uitleg onderin deze pagina is van onze hand.

Op de dag van de audiëntie, zondag 23 september, hadden we afspraak te Zergendeh. Na het ontbijt zouden we van daar vertrekken naar het Niavaran paleis (1). De koning was hier enkele dagen geleden toegekomen, na vertrek vanuit zijn  zomerkamp te Shahrestanak (2). Ik had geen uniform, en omwille van de etiquette droeg ik een slipjas, met daaronder een zwarte broek en een colbertjasje, en een witte das. Over mijn laarzen droeg ik ook roodlederen overschoenen. Dit laatste is een diplomatische vondst die dateert van de vrede van Turkmenchay in 1828. Voordien moesten diplomaten conform met Perzisch gebruik hun schoenen uitdoen wanneer ze voor de koning verschenen. Vandaag ontdoet men zich gewoon van die overschoenen en houdt men het normale schoeisel aan. De Russen verkregen zelfs het privilege dat hun ambassadeur voortaan mocht zitten in het bijzijn van de koning. Om die reden, die de trots van de Qajars krenkt, ontvangt de koning van Perzië zijn gasten meestal rechtopstaand om te verhinderen dat van dit privilege gebruik wordt gemaakt.

Om elf uur vertrokken we te paard en vormden een aanzienlijke stoet. De Europese legaties worden bij dergelijke gelegenheden steeds vergezeld door een groot aantal wachten, soldaten, dienaren en paardenmenners – allen behoorlijk deftig uitgedost. Zelf kwam ik met slechts twee dienaren, net als ik te paard. We verlieten Zergendeh en bereikten Niavaran na twintig minuten. We stegen af voor de poort van het park van de koninklijke residentie. Men bracht ons naar een tent waar we onze kleding konden herschikken – wat nauwelijks nodig was na zo’n korte rit. We wandelden vervolgens naar een mooie koninklijke tent. Daar werden we opgewacht door twee ceremoniemeesters, en we deden onze overschoenen uit vooraleer binnen te treden. Namens de koning kregen we thee, koffie, zoetigheden en waterpijpen aangeboden. We moesten een half uur wachten, gezeten op rijkelijke kussens, en genoten van de waterpijpen en van de thee en koffie die ons in kleine kopjes met zilveren voet geserveerd werden. Uiteindelijk werd gemeld dat de shah ons kon ontvangen. We verlieten de tent en trokken onze overschoenen weer aan. De ceremoniemeesters namen ons via een overdekte galerij naar een binnenhof. Aan de voet van een monumentale trap moesten we de overschoenen weer uitdoen. Onze begeleiders zélf vervingen hun hoge Perzische hoeden door witte roodgestreepte tulbanden. We bestegen de trap en werden boven opgewacht door jonge Perzische pages, elk uitgerust met een zilveren stok. Links van de vestibule gaf een dubbele deur toegang tot een mooi versierde wachtkamer. Meteen werd een groot fluwelen gordijn opengetrokken en traden we binnen in een rijkelijk gedecoreerde en vergulde zaal. Daar was de koning, gezeten in een gouden fauteuil, naast een raam dat uitgaf op een schitterend tafereel – een zicht op het paleis van Sultanabad, met daarachter Teheran, en verderop de schitterende koepel van de Shah-Abdol-Azim.

Naser al-Din Shah, amper vijfendertig jaar oud, gaf een blijde indruk. Men ontwaart meteen zijn intelligentie, zijn verfijning en zijn goedheid. Hij was behoorlijk eenvoudig gekleed voor een monarch. Hij droeg een dichtgeknoopte overjas in zwart fluweel, in haast Europese snit. Daaronder droeg hij een zwarte broek met voetbanden tot in de sokken, en geen schoenen. Zijn kleine zwartbonten Perzische hoed leek haast een eenvoudige muts. Daarop droeg de heerser van Iran echter een pluim voorzien van robijnen en diamanten. Rond de nek droeg hij een ketting met grote parels die tot aan zijn heup reikte. Op zijn borst droeg hij twee formidabele broches voorzien van briljanten waarvan men de waarde schat op minstens vier miljoen francs (4). Deze schitterende juwelen zouden afkomstig zijn uit Delhi, de laatste getuigen van de enorme schatten die Nader Shah (5) meebracht uit Indië.

Na het binnenkomen en een eerste groet namen we in een halve cirkel plaats voor de shah. Er volgde dan een uitvoerige begroeting die de shah beantwoordde met een zeer hoffelijk gebaar en een glimlach. De vertegenwoordiger van Rusland gaf vervolgens een korte toespraak die onmiddellijk vertaald werd door de tolk van de koning; de tolk leek me een grote klemtoon te leggen op de titels die de minister richtte tot de monarch van Iran, die door zijn volk nog steeds wordt beschouwd als de koning der koningen – net als in de tijd van Cyrus, Khusro en Abbas de Grote. Zinoviev presenteerde vervolgens de brief van zijn monarch aan de shah. Eén van diens minister gaf lezing van deze keizerlijke brief, en de shah liet met enkele hartelijke antwoorden blijken dat hij zeer voldaan was. Vervolgens wisselden de koning en de Russische minister vooral complimenten uit, met wederzijdse felicitaties over de nauwe relatie tussen beide landen.

Na dit gesprek stelde Zinoviev me met zeer gepaste woorden voor aan de shah. Om te beginnen gaf ik de shah mijn blijk van groot respect. Naser al-Din liet me in uiterst vriendelijke bewoordingen verstaan dat hij me met plezier ontmoette, net als alle Europeanan die met eigen ogen Perzië wilden zien en niet terugschrokken van de uitputting en de gevaren van zo’n lange reis. Ik dankte de prins voor de eer die hij me betoonde, en antwoordde dat mijn nieuwsgierigheid reeds beloond werd door de vaststelling van de welvaart en de rust die Perzië kende onder zijn bewind, evenals van de veiligheid die de reizigers in zijn land genoten, zowel overdag als ‘s nachts. Ik sprak voor mezelf, want ik weet dat andere reizigers minder gelukkig waren, hoewel men in hun verhalen makkelijk enige zin voor overdrijving kon vaststellen. Dit antwoord bleek de shah behoorlijk te behagen. Hij vertelde dat de naam Holland zeer bekend is in Perzië; zijn land herinnerde zich zeer goed de grote factorij die mijn landgenoten te Ispahan opereerden, ten tijde van Abbas de Grote. Hij betreurde trouwens dat de commerciële betrekkingen tussen zijn land en de grote maritieme natie niet meer waren als toen. Ik dankte de koning voor deze mooie hulde aan mijn land. Vervolgens polste Naser al-Din me over mijn reis, en vroeg me of ik kon tekenen. Ik moest toegeven dat ik noch schilder, noch tekenaar was – en dat ik dat zwaar betreurde gelet op alle mooie dingen die Perzië me toonde. Ik vertelde de koning echter dat ik een dagboek van mijn waarnemingen bijhield, en dat ik van plan was deze te publiceren na mijn terugkeer in Europa. De koning stelde me nog enkele vragen, over de route die ik gevolgd had, en over mijn traject na het verlaten van Teheran. Ik trachtte hem te voldoen. Hij vroeg me waar ik na Perzië heenging. Ik antwoordde dat ik naar Bagdad reisde, maar dat ik in de loop van het volgende jaar terug naar Teheran kwam. Waarop hij met een hoffelijk gebaar antwoordde: “Cheili-Choub” – hetgeen wil zeggen: “Dat verheugt me ten zeerste!”.

De audiëntie liep ten einde. Zinoviev nam afscheid van de koning en we trokken ons terug volgens hetzelfde ceremonieel. Ik was natuurlijk uiterst tevreden over het onthaal door de koning van Perzië, en vooral over zijn lofrijke herinnering aan mijn land. Ik vergat daarbij te vertellen dat Naser al-Din een bril droeg, vermoedelijk niet uit noodzaak maar eerder omwille van postuur. Hij speelde ermee, net zoals wij zouden doen met een neusbril of lorgnet.

 


Uitleg (door de vertaler)

(1) Het Niavaran paleis, gelegen tegen de Shemiran heuvels ten noorden van Teheran, is sinds de Qajar dynastie grotendeels afgebroken en vervangen door nieuwe gebouwen.

(2) Zie het artikel over Tinco’s bezoek aan het zomerverblijf Shahrestanak.

(3) Het verdrag van Turkmenchay van 1828 maakte een einde aan de oorlog tussen Rusland en Perzië en legde de grens tussen beide landen definitief op de loop van de Arras rivier.

(4) Vier miljoen francs in 1866 vertegenwoordigt ruw geschat een twaalf miljoen euro vandaag.

(5) Nader Shah (1698-1747), van de Afshar dynastie, wordt beschouwd als één van de machtigste shahs uit de geschiedenis van Perzië. In 1739 bezette en plunderde hij Delhi, de hoofdstad van het Mughal rijk.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s